Vooruit zien(d).
‘k Heb een transparante paraplu
waar ik doorheen kan kijken
om wandelend door een regenbui
obstakels te ontwijken.
Als het guur en somber is
trek ik mijn jas toch aan
en dankzij die paraplu
durf ik naar buiten gaan.
Regen, wind en hagelbui
kan ik zo trotseren
vooruitziend in een donk’re bui
het kan mij niet echt deren.